|
Geschiedenis van de buurt Het gebied dat nu de Raadsherenbuurt wordt genoemd ontstond
ver voor onze jaartelling begon, als een soort waddengebied met strandwallen
en strandvlakten. Op die strandvlakten ontstond een drassig veenweidengebied
met riviertjes als de nu nog bestaande Leede en de Mare. De eerste kan
men nu nog terugvinden in Warmond, de laatste loopt vanaf de noordzijde
van de Leidse Hout naar de Burcht in Leiden. Over de strandwallen werden
wel wegen aangelegd, erlangs kwamen buitenplaatsen (als Oud Poelgeest)
en boerderijen met daarachter de weiden. Zo'n weg is de huidige Warmonderweg
die al op kaarten uit de zeventiende eeuw voorkomt. Dwars erop, richting
zee werden ook wegen aangelegd, zoals de al op kaarten uit de veertiende
eeuw voorkomende Rijnsburgerweg. Voor deze wegen werd zand uit de duinen
en puin uit de stad gebruikt: in 1807 gebeurde dat nog met het door de
ramp met het kruitschip veroorzaakte puin.
Behalve weidegebied was er in het gebied waar nu de
Raadsherenbuurt en Leidse Hout zijn, ook een enkel sportveld te vinden,
zoals dat van UVS dat hier tot begin twintiger jaren heeft gespeeld, toen
de gemeente besloot hier te gaan bouwen. De voetbalvereniging werd gedwongen
hier te vertrekken toen men de Johan de Wittstraat ging aanleggen.
Al in 1907 wilde de gemeente hier in de buurt gaan bouwen, dicht tegen
Oegstgeest aan, waar veel Leidenaren naar toe trokken. Het was daar goedkoper,
maar vooral fraaier wonen en met de tram kwam men gemakkelijk van en naar
Leiden om daar te werken of te winkelen.
Pas in 1920 kreeg Leiden het gebied tot aan de Warmonderweg in haar bezit.
Maar al in 1919 werd door Leiden een plan gemaakt voor de Raadsherenbuurt.
Ruim van opzet, dicht tegen Oegstgeest aan en passend bij de Oegstgeester
stijl van bouwen. Leiden wilde zo de 'beter gegoeden' voor Leiden behouden.
Maar voordat de eerste huizen werden gebouwd werden
de plannen al gewijzigd. Er kwamen geen asfaltwegen maar straten met kinderhoofdjes.
Wel werd het in de Johan de Wittstraat geplande rozenperk gehandhaafd
(het huidige 'Rozenpleintje') en kregen de huizen voortuintjes, maar van
de oorspronkelijk geplande villa's en landhuizen werd er uiteindelijk
maar één gebouwd. Dit was het door de latere stadsarchitect Hugo van Oerle
ontworpen 'Landhuis voor de heer Bosch', Johan de Wittstraat 3, waar al
in 1925 een rij huizen aan werd 'vastgeplakt'. De crisistijd was debet
aan deze versobering.
Plannen om richting Mare verder te bouwen werden ook nooit uitgevoerd.
De buurt werd afgesloten door de Van Slingelandtlaan, er voorbij kon de
Leidse Hout komen, een werkverschaffingsproject.

Maart 1924 werd het eerste huis in de Johan de Wittstraat
opgeleverd. De andere huizen in de buurt konden vanaf half 1925 worden
betrokken. De huizen konden worden gehuurd of gekocht. De koopprijzen
lagen toen tussen de 6.500,- en f 10.000,- voor die tijd geen gering bedrag.
Veel buurtbewoners hadden indertijd al studenten op kamers om zodoende
de huur te kunnen opbrengen.
Uit die tijd dateert ook de (voormalige) Leidsche Autoboxen
Garage (LAG-garage), tot 1966 een autostalling, aanvankelijk met een open
binnenterrein. Later werd de LAG dealer voor Engelse auto's, wat tot in
de negentiger jaren zo bleef. In het blok huizen tussen Johan de Wittstraat
en Fagelstraat was oorspronkelijk ook een dergelijke garage gepland, maar
na de oorlog werd het duidelijk dat het daar nooit meer van zou komen
en werd de rij huizen in de Fagelstraat gesloten met de bouw van de nummers
22 en 22a. Wel kwamen er nog autoboxen aan de achterzijde van de overkant
van de Fagelstraat.
Tussen 1930 en 1931 werd de nieuwe Christelijke Kweekschool gebouwd en op 2 januari 1931 is deze school in gebruik genomen aan de dan voor het eerst
genoemde Paulus Buysstraat.Op 31 augustus 1942 werd het gebouw in beslag genomen door de Duitse
Bezetter, om er eerst een “Feld-Lazarett” in te huisvesten, en later een Deutsche Volksschule. Er zat ook een opleiding in voor de SS officieren.
De kweekschool is in 1969 verhuisd naar de Hazenboslaan, en het oude gebouw heeft nog tot begin ’80 jaren dienst gedaan als dependence, en is toen
verlaten en afgestoten.
Na de oorlog werden nog vrij ruime huizen of villa's
gebouwd langs de Van Slingelandtlaan, Van Beuningenlaan en aan het begin
van de Van Oldenbarneveltstraat en werd de buurt uitgebreid richting Leiden
naar de Houtlaan. Dankzij de eerder genoemde strandwal langs de Warmonderweg
konden de huizen steeds op een betonplaat worden gebouwd. Slechts de huizen
aan het begin van de Oldenbarneveltstraat, de Van Beuningenlaan en verder
richting Leiden werden onderheid.
Voor de oorlog
hebben hier in de buurt inderdaad een aantal 'gegoede burgers' gewoond.
We denken o.a. aan de professoren Huizinga (een tot ver buiten onze grenzen
beroemd historicus) en Van Groningen. Ook Marten Toonder van Tom Poes
en heer Ollie B. Bommel woonde hier; Jan Wolkers ging hier op school.
Er waren hier ook een aantal winkels in de buurt: drie in de Johan de
Wittstraat en drie in de Van Oldenbarneveltstraat. Aan huis bezorgen gebeurde
zoals overal in het land ook hier: daarvoor had je hier een katholieke
bakker, of als je dat beter uitkwam een protestantse; een katholieke en
protestantse groenteboer of slager.
In Johan de Wittstraat 1 en de ernaast en er tegenover
liggende panden aan de Rijnsburgerweg was de LOI (Leidse Onderwijs Instellingen)
gehuisvest. Vanuit de Hogerbeetsstraat kon men vanaf 1928 zelfs per bus
naar de stad: waar nu de kozijnenfirma is gehuisvest was oorspronkelijk
het beginpunt.
Vanaf 1932 bezat de buurt een eigen lagere school, de
protestants christelijke Leidsche Houtschool. In de jaren negentig toen
het duidelijk was dat de kinderen hier uit de buurt die naar een openbare
school wilden niet langer welkom waren op de Terweeschool in Oegstgeest,
kwam daar de Woutertje Pieterse school bij. Er was een kleuterschooltje
vanaf 1942. In 1932 kon men in de nieuwe Pauluskerk aan de Warmonderweg
ter kerke gaan.
Vanaf 1929 kon men aan het einde van de Johan de Wittstraat
en de Fagelstraat de Leidsche Hout bereiken. In 1938 waren de eerste parkconcerten
in de muziektent in de Leidse Hout. Pas na de oorlog, in 1956, begon men
met de aanleg van het 'Openluchttheater in de Leidse Hout'. In dit theater
kan men, meestal rond 'midzomer', één of twee voorstellingen bijwonen
(georganiseerd door de buurtvereniging); in de muziektent zijn vanaf de
eerste zondag in mei tot de laatste zondag in september parkconcerten,
georganiseerd door de 'Vereniging Vrienden van de Leidse Hout'.
In het Theehuisje in de Leidse Hout kan men vanaf 1949 pannekoeken, een
ijsje of een drankje nuttigen. Sinds 1998 beschikt het Theehuis ook over
een compleet restaurant en een vernieuwd terras, dat bovendien dagelijks
én het gehele jaar geopend is. Men kan er ook terecht wanneer er een feestje
valt te vieren. Vaak kan men er buiten zitten, genietend van het zonnetje
en van de dieren in de hertenkamp. In de Leidse Hout is sinds 1990 in
het 'Koetshuis' een bezoekerscentrum gevestigd, dat het jaar rond woensdag-
en zondagmiddag geopend is. Men kan hier voor allerlei informatie terecht
over de Leidse Hout, Oud Poelgeest e.d. en men kan er uitgaven kopen van
het IVN, Natuurmonumenten en van de Vereniging Vrienden van de Leidse
Hout. Er worden hier ook tentoonstellingen georganiseerd.
In 1979 was de toen voorgenomen aanleg van een busbaan over de Johan de
Kosterweg in de Leidse Hout aanleiding tot de oprichting van de nog steeds
florerende buurtvereniging: 'Vereniging Raadsherenbuurt'.
Wanneer daartoe aanleiding is geeft de buurtvereniging ook wel speciale
drukwerken uit, als het nog steeds verkrijgbare boek (nog enkele exemplaren)
'Raadsherenbuurt, zestig jaar wonen en leven in een Leidse buurt'
(1985) en 'Raadsherenbuurt Leiden 1940 - 1945' (derde druk 1995).
|