Algemene informatie over deze website
Buurtbeschrijving, plattegrond
Nieuws en nieuwtjes
Mailadressen van buurtbewoners
Advertenties
Bestuur, redactie, buurtkrant, etc.
Vrijwillige en professionele dienstverlening door en voor bewoners van de Raadsherenbuurt
Praktische informatie voor buurtbewoners
Geschiedenis van de buurt
De personen achter de straatnamen

Dapper werktuig van Willem III

Caspar Fagel (1634 - 1688)

Caspar Fagel (1634 - 1688)Caspar of Gaspar Fagel werd geboren in 1634 te Den Haag. Op 15-jarige leeftijd, toen hij al rechten studeerde aan de Utrechtse Hogeschool, verloor hij zijn vader. In 1653 promoveerde hij en werd advocaat. In die hoedanigheid werd hij opgemerkt door Johan de Witt, die menigmaal gebruik van zijn diensten maakte bij het opstellen van resoluties, officiële brieven en diplomatieke stukken. Op De Witts aanwijzing werd Caspar in 1663 pensionaris van Haarlem.

Interessant in het leven van Caspar Fagel is zijn al of niet vermeende overgang van het staatsgezinde naar het oranjegezinde kamp. Tijdens het Eerste Stadhouderloze Tijdperk (1650-1672) nam hij waarschijnlijk het voornaamste initiatief tot het Eeuwig Edict, dat bepaalde dat de jonge prins Willem III wel kapitein-generaal (aanvoerder) van het Staatse leger mocht worden, maar geen stadhouder. Men heeft hierin veelal het bewijs gezien, dat Fagel aanvankelijk tegen Oranje was. Waarschijnlijk was het besluit een soort compromis en ging raadpensionaris Johan de Witt ermee akkoord om de eenheid te bewaren.

Over de relatie tussen Johan de Witt en Caspar Fagel is veel geschreven. Hoewel de heren niet meteen elkaars gezworen vijanden waren, is er sprake van een lange reeks onenigheden. Vooral de positie van de jonge prins Willem en de relaties met het vijandige Frankrijk zorgden voor twistpunten. Waarschijnlijk steunde De Witt in 1670 Fagels kandidatuur als griffier in de Staten-Generaal uitsluitend omdat hij de Haarlemse pensionaris in de vergadering der Hollandse Staten maar een lastige dwarsligger vond.

Als griffier kwam Fagel nu geregeld in contact met Willem III, die in februari 1672 uiteindelijk werd benoemd tot kapitein-generaal voor één veldtocht, maar die met de dag meer aan invloed won. Er ontstonden gevoelens van genegenheid tussen beide heren.

Dat laatste bleek wel in augustus van het 'Rampjaar' 1672, de tijd dat de regenten radeloos waren, het volk redeloos scheen en het land reddeloos verloren leek. In de oorlog met Frankrijk, Engeland, Keulen en Munster was het behalve De Witt ook Caspar Fagel die niet van wijken wist. De Fransen waren in mei de Nederlanden binnengevallen en de kansen voor de Republiek stonden er slecht voor, ondanks het feit dat de Hollandse Waterlinie de vijand op enige afstand hield. De Staten van Holland en de Staten-Generaal wilden gezant Pieter de Groot de vrede laten aanbieden aan Lodewijk XIV in ruil voor belangrijke gebiedsafstand. Johan de Witt was afwezig: die herstelde van zijn verwondingen na een moordaanslag op hem van 21 juni door vier oranjegezinde heethoofden. Griffier Fagel weigerde de resolutie te tekenen. Uiteindelijk vertrok de gezant, door Fagel honend uitgeleide gedaan, pas nadat een ondergeschikte klerk zijn handtekening had gezet.

De 21-jarige prins Willem en Caspar Fagel vonden elkaar in hun streven om - overigens niet zonder voorwaarden - vrede te sluiten met Karel II van Engeland (een oom van Willem) en met deze een alliantie aan te gaan tegen Frankrijk. Op 2 juli werd Willem stadhouder van Zeeland, op 4 juli stadhouder van Holland en op 8 juli kapitein-generaal en admiraal (opperbevelhebber over leger en vloot). Dit betekende een grote nederlaag voor Johan de Witt, tegen wie louche, oranjegezinde elementen een haatcampagne aan het voeren waren. Na zijn herstel nam die dan ook ontslag als raadpensionaris. Naar verluidt beval hij Fagel als zijn opvolger aan. Op 20 augustus 1672 werd Caspar Fagel benoemd tot raadpensionaris, uitgerekend op de dag dat het Haagse gepeupel Johan en Cornelis de Witt lynchte.

Het is niet geheel ondenkbaar dat Caspar Fagel indirect enige verantwoordelijkheid draagt voor deze dubbele moord. In de strijd tussen staats- en prinsgezinden werd niets ongemoeid gelaten. Tegen de regenten was al geruime tijd een geruchtenmachine in stelling gebracht. De hoogmogende heren zouden de Nederlanden hebben willen verkopen aan de Zonnekoning. Johan de Witt had al eens bij Willem geklaagd over de hetze die hem ten deel viel. De prins had slechts geantwoord dat hij niet in staat was de aantijgingen aan het adres van de gebroeders De Witt aan de waarheid te toetsen. Met andere woorden: misschien waren ze wel waar! Toen op 29 juli 1672 Willem een brief had gekregen van zijn oom Karel II, vond de prins dat de inhoud medegedeeld diende te worden aan de Staten. In de brief haalde Karel fel uit naar de regenten. Die zouden de schuld aan de oorlog dragen, doordat zij door hun machinaties Karel zouden hebben gedwongen met Lodewijk XIV in zee te gaan. En als de regering van de Republiek niet zo halsstarrig had geweigerd om Willem tot stadhouder te maken, dan was er wellicht nooit oorlog met Engeland geweest (Allemaal leugens, Karel II was door Lodewijk omgekocht).

Wat deed Fagel? Hij liet de brief drukken en in den lande publiceren en hitste het volk ermee op tot een woede die haar ontlading vond in de moord op de gebroeders De Witt. Fagel ging verder. Een week na deze gebeurtenis bepleitte hij in de Staten van Holland, dat de stadhouder het recht zou krijgen om naar eigen goeddunken in de steden de regeringen te veranderen. Vanzelfsprekend voelde niemand daarvoor. Instemmen ermee betekende in veel gevallen politieke zelfmoord. Fijntjes wees de verse raadpensionaris erop dat de woede van het volk nog lang niet gekoeld was, dat de massa de dubbele moord had gepleegd omdat ze de prins te goed vond voor dat werk en dat er soortgelijke dingen ook elders zouden kunnen gebeuren. Hierop werd in veel Hollandse steden 'de wet verzet. Fagel handelde natuurlijk met de beste bedoelingen en in het allerhoogste landsbelang en bovendien in oorlogstijd, maar netjes is toch anders…

Uiteindelijk heeft het tweetal wel succes geboekt: in 1673 verlieten de Fransen ons land en in 1674 werd de vrede met Engeland getekend. De binnenlandse hervormingen gingen door, Utrecht, Gelderland en Overijssel erkenden al spoedig Willem III als hun opperheer. De strijd tegen Frankrijk duurde tot 1678, maar ook met Engeland was men nog niet klaar. Daar stierf Karel II en werd opgevolgd door de katholieke Jacobus II, overigens Willems schoonvader. Er ontstond druk diplomatiek verkeer, waarin Fagel “his finest hour” beleefde en vooral in Engelse kringen gerespecteerd werd als woordvoerder van de stadhouder. Wanneer deze in 1688 de Noordzee oversteekt en koning der Engelsen wordt, is dat tot in de puntjes voorbereid door Caspar Fagel, die het resultaat van zijn werk niet meer onder ogen heeft gehad. Hij stierf in hetzelfde jaar.

Door de bank genomen wordt Caspar Fagel als een bekwaam en dapper politicus beschouwd, hoewel men het erover eens is, dat hij meestal het werktuig bleef van Willem III. In een staatsgezind spotvers wordt hij genoemd: ,,...de patroon van ’t janhagel/ die de Prins Graaf wil maken en de Staten wil knechten/ en de Engelse standaart in Holland wil rechten.''

Fagel was vaak ziek en Willem III wist dan niet beter te doen dan hem de genezing bij prinselijk bevel op te dragen, of te dreigen overal mee te stoppen als hij de hulp van Fagel zou moeten ontberen. Na de dood van zijn raadspensionaris schreef Willem vanuit Engeland aan Hendrik Fagel, die in 1672 zijn halfbroer als griffier der Staten-Generaal was opgevolgd:

Mijn Heer,

Ick en kan U Ede. niet genoeg betuygen met wat smerte tot het binnenste van mijne siele ick de droevige doot van den heer Raetpensionaris heb vernomen; ick verlies den grootste vriendt, die ick in dese werelt kan hebben, ende seeckerlyck den Staet den trowsten dinaer. U Ede. versoeck ick de familie uyt mijnen naem te verseeckeren, dat sij in mijn sullen hebben wat sij in mijn waerde vriendt hebben verlooren; ick blijve altoos Mijn Heer, U Ede. seer geaffectioneerde vriendt
G.H. Prince d’Orange

Als beloning voor zijn verdiensten had stadhouder/koningWillem op 25 oktober nog een testamentaire wilsbeschikking ten gunste van Fagel opgemaakt. Hem zou worden nagelaten Willems landgoed bij Santpoort, De Kruidberg en de lieve som van 100.000 gulden belastingvrij. Caspar heeft dit nooit geweten, want de beschikking mocht pas na Willems dood wereldkundig worden gemaakt. Zeven dagen na zijn overlijden, op 22 december, werd hij in Den Haag met een gevolg van dertien rouwkoetsen en zesendertig fakkeldragers in de Grote Kerk ter aarde besteld. Een portret in de vergaderzaal van de Eerste Kamer, straten en een enkele sloot houden zijn herinnering nauwelijks nog levendig.
Zo gaat dat nu eenmaal.

Gerard Schelvis